Connection has lost...
Instellingen: gesproken tekst language

Gemeente De Ronde Venen discrimineert in woonwagenbeleid

29-10-2020
Het College voor de Rechten van de Mens (College) heeft geoordeeld dat het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente De Ronde Venen drie personen heeft gediscrimineerd op grond van ras in hun zoektocht naar woonwagenstandplaatsen. De zaak betreft een conflict tussen de gemeente en een familie over een eventuele uitbreiding van het aantal standplaatsen binnen deze gemeente. Met de ondersteuning van de consulent discriminatiezaken van Art.1 Midden Nederland (Art.1 MN) hebben vier personen van deze familie een verzoek tot oordeel bij het College ingediend. Bij drie van de vier personen is geoordeeld dat er sprake was van een verboden onderscheid op grond van ras.

Het conflict over het aantal woonwagenstandplaatsen tussen de gemeente en de familie bestaat al vele jaren. In 1997 maakte de familie voor het eerst kenbaar dat er behoefte was aan meer standplaatsen. Tot op heden heeft de gemeente geen gehoor gegeven aan deze behoefte en is het aantal officiële woonwagenstandplaatsen onveranderd. Wel heeft de gemeente in 2013 een ‘revitaliseringsplan’ vastgesteld. Dit betreft een project om de woonwagenstandplaatsen te vernieuwen en veiliger te maken, aangezien het huidige woonwagencentrum in slechte toestand verkeert door achterstallig onderhoud. Volgens de familie wordt in dit plan echter geen rekening gehouden met de behoefte aan extra standplaatsen en geeft de gemeente ook geen indicatie op den duur wel tegemoet te zullen komen in deze behoefte.

(tekst gaat verder na afbeelding)



Voor vier personen van de familie was dit de aanleiding om aan te kloppen bij Art.1 MN met een melding. Zij vermoedden namelijk dat er sprake was van discriminatie. Art.1 MN heeft de personen vervolgens begeleid en ondersteund bij een verzoek tot oordeel van het College voor de Rechten van de Mens.

Oordeel van het College
Het College heeft zich over de zaak gebogen en het oordeel mede gebaseerd op eerdere uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Woonwagenbewoners zijn volgens het EHRM aan te duiden als etnische groep en het woonwagenleven is een belangrijk onderdeel van hun cultuur en identiteit. Zodoende kunnen zij bescherming ontlenen aan het verbod van discriminatie op grond van ras. De gemeente mag geen onderscheid maken op grond van ras in de sociale bescherming. ‘Bescherming’ wordt hier breed beschouwd, wat betekent dat huisvesting hier ook onder valt.

Hierdoor is de gemeente verplicht om de mogelijkheid aan te bieden om in een woonwagen te wonen. Om te beoordelen of een gemeente dit voldoende doet, heeft het College naar verschillende factoren gekeken. Ten eerste is het uitgangspunt dat er een zo gelijkwaardig mogelijk aanbod moet zijn van woonruimte voor woonwagenbewoners en woonruimte voor bewoners van reguliere (sociale) huurwoningen. Ten tweede moet de gemeente onderzoek verrichten naar de behoefte aan woonwagenstandplaatsen en op basis hiervan beleid ontwikkelen om aan deze behoefte te voldoen.

De gemeente kon niet aantonen aan de bovenstaande verplichtingen te hebben voldaan. Volgens de gemeente was de wachttijd voor sociale huurwoningen (7,6 jaar) aanzienlijk korter dan de wachttijd voor een woonwagenwagenstandplaats. Echter, het College merkte op de gemeente niet duidelijk heeft kunnen maken wat de wachttijd is voor een woonwagenstandplaats. De stelling van de melders dat er in 35 jaar geen woonwagenstandplaats was vrijgekomen bleef onbetwist.

Daarnaast bleek dat de gemeente geen intentie had om nieuwe standplaatsen te creëren voordat de revitalisering was afgerond. Het eerder genoemde revitaliseringsplan uit 2013 bood geen plek aan woonwagenstandplaatsen voor de melders en de gemeente had bij het opstellen van dit plan geen onderzoek gedaan naar de behoefte aan nieuwe standplaatsen. Volgens het College had de gemeente dit onderzoek wel moeten doen. Een dergelijk onderzoek is destijds namelijk wel uitgevoerd voor de reguliere sociale huisvesting.

Daarnaast heeft de gemeente nooit beleid ontwikkeld om – naar gelang de behoefte – extra woonwagenstandplaatsen aan te leggen, zodat wordt voorzien in een zo gelijkwaardig mogelijk aanbod van woonruimte voor woonwagenbewoners. Een dergelijke koppeling heeft de gemeente wel gemaakt in de Woonvisie 2025 voor woningzoekenden in de regulier sociale huursector. Dit tezamen bracht het College tot de conclusie dat de gemeente drie van de vier melders geen reëel zicht biedt op een eigen standplaats dat vergelijkbaar is met mensen die wachten op een sociale huurwoning. Zodoende heeft het College geoordeeld dat er een verboden onderscheid is gemaakt op grond van ras.

Meldpunt voor discriminatie van Art.1 MN
Art.1 Midden Nederland is het expertisecentrum voor gelijke behandeling en discriminatiezaken in de provincie Utrecht. Bij het vermoeden van ongelijke behandeling of discriminatie kan men terecht bij het meldpunt. De consulenten discriminatiezaken kunnen begeleiding en ondersteuning bieden bij bemiddeling of een gang naar het College van de Rechten van de Mens.

Een melding doen kan via info@art1mn.nl, het formulier op deze website, telefonisch via 030 - 232 86 66 of via WhatsApp: 06 - 232 232 71.

Lees hier het hele oordeel van het College voor de Rechten van de Mens.